De Wet PBR 1997
 

WET PARTICULIERE BEVEILIGINGORGANISATIES EN RECHERCHEBUREAUS

24 oktober 1997, in werking getreden op 1 april 1999

Samenvatting van de belangrijkste punten voor de alarminstallateur

 

Artikel 1
   
1. In deze wet wordt verstaan onder:
1.c: beveiligingswerkzaamheden: het bewaken van de veiligheid van personen en goederen of het waken tegen verstoring van de orde en rust op terreinen en in gebouwen.
1.d:  beveiligingsorganisatie: een door één of meer personen in stand gehouden particuliere organisatie die gericht is op het verrichten van beveiligings werkzaamheden.  (o.a. de PAC).
1.g: alarminstallateur: een persoon die
1e alarmapparatuur, installeert of  zorg draagt voor het onderhoud van alarmapparatuur,
2e. een plan voor de installatie van alarmapparatuur ontwerpt of,
3e.  assistentie verleent aan een persoon als bedoeld onder  1e of 2e.
1.h: alarmapparatuur:  apparatuur, daaronder begrepen delen daarvan, die alleen of in combinatie met andere apparatuur  een systeem vormt, dat door middel van detectoren via telecommunicatiesignalen, die duiden op de aanwezigheid van personen, doorgeeft aan één of meer centrale punten, waar die signalen worden ontvangen en beoordeeld en van waaruit assistentie kan worden gevraagd aan derden.
   
Artikel 2
   
1.  Het is verboden zonder vergunning van onze Minister door de instandhouding van een beveiligingsorganisatie of recherchebureau beveiligings-werkzaamheden  te verrichten of aan te bieden.
   
Artikel 3
   
Een vergunning voor een beveiligingsorganisatie kan worden verleend voor één van de volgende categorieën:
a. een particulier beveiligingsbedrijf, zijnde een onderneming of een onderdeel daarvan die in de uitoefening van beroep of bedrijf ten behoeve van derden beveiligingswerkzaamheden verricht en daarbij in hoofdzaak gebruik maakt van personen.
b. een particuliere alarmcentrale, zijnde een onderneming die de uitoefening van beroep of bedrijf ten behoeve van derden in een centraal alarmmeldpunt, de door de alarmapparatuur verzonden signalen ontvangt en beoordeelt en zonodig assistentie vraagt aan de politie,  andere overheidsinstanties of particulieren.
   
Artikel 10
   
1. Een beveiligingsorganisatie aan welke een vergunning is verleend en die werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, onder b, laat het plan voor de installatie, de installatie en het onderhoud van de alarmapparatuur die hij gebruikt, slechts opstellen dan wel uitvoeren door alarminstallateurs die voldoen aan de door Onze Minister bij ministeriële regeling vast te stellen eisen van vakbekwaamheid en die beschikken over een verklaring van betrouwbaarheid. Zij verleent uitsluitend diensten aan derden die deze werkzaamheden eveneens slechts laten verrichten door alarminstallateurs die aan de genoemde voorwaarden voldoen.
2. Onze Minister kan bij ministeriële regeling voor bepaalde categorieën alarmapparatuur regels stellen met betrekking tot de eisen waaraan deze apparatuur dient te voldoen en de wijze waarop, alsmede de organisatie door welke, de apparatuur op grond van deze eisen kan worden goedgekeurd.
3. Een beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid [ bedoeld wordt de PAC ] maakt van alarmapparatuur die behoort tot een categorie waarvoor Onze Minister regels heeft gesteld, uitsluitend gebruik indien deze overeenkomstig die regels is goedgekeurd. Zij verleent alleen diensten aan derden die eveneens aan deze voorwaarden voldoen.
4.

Een beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid [ PAC ] draagt zorg dat zij over documenten beschikt betreffende de door haar en derden gebruikte apparatuur, waarmee aangetoond kan worden dat zij aan het eerste en derde lid voldoet.

De verklaring van betrouwbaarheid, bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven door de korpschef van het politiekorps in de regio waar de desbetreffende persoon woonachtig is.

   

REGELING PARTICULIERE BEVEILIGINGSORGANISATIES EN

RECHERCHE- BUREAUS

Artikel 11 (alarminstallateurs).

   
1. Een beveiligingsorganisatie die werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, onder b, van de wet, aan welke een vergunning is verleend laat het plan voor de installatie, de installatie en het onderhoud van de alarmapparatuur die hij gebruikt, slechts opstellen dan wel uitvoeren door alarminstallateurs die in het bezit zijn van een diploma dat de instemming heeft van de minister.
2. instemming als bedoeld in het eerste lid hebben in ieder geval:a.  het diploma Monteur Beveiligingssystemen( MBV) van het VEV en ROVC.
b. het diploma Technicus Beveiligingsinstallaties( TBV) van het VEV en ROVC.
   
Artikel 20 (eisen particuliere alarmcentrale).
   
1. Een beveiligingsorganisatie die werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onder b van de wet, is gecertificeerd door een door de Raad van Accreditatie erkende certificeringsinstelling, die de toestemming heeft van de minister.
  Van het bepaalde in het eerste lid kan door de minister ontheffing worden verleend.Toestemming als bedoeld in het eerste lid heeft in ieder geval:
  De Stichting Kwaliteitsborging Preventie.
   
Artikel 21 ( eisen alarmapparatuur).
   
1. Alarmapparatuur is gecertificeerd door een door de Raad voor Accreditatie erkende certificeringinstelling, die de toestemming heeft van de minister.
2. Toestemming als bedoeld in het eerste lid heeft in ieder geval:  Het nationaal Centrum voor Preventie NCP.
   
Artikel 22 (informeren politie).
   
Zodra een beveiligingsorganisatie die werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onder b, van de wet, een aanvang wordt gemaakt met nieuwe beveiligingswerkzaamheden, stelt deze de beveiligingsorganisatie de korpschef van de regio waar zich de objecten bevinden die door de alarmcentrale worden beveiligd op de hoogte van:
a. de aanvang en beëindiging van een overeenkomst met een abonnee die strekt tot aansluiting op de particuliere alarmcentrale van de alarmapparatuur, en voor zover de korpschef daar schriftelijk om verzoekt tevens van:
b. de aard en situering van het object, de in- en uitgangen en het beveiligde gebied met haar afzonderlijke zônes,
c. de soorten alarm waarvoor assistentie kan worden gevraagd (inbraak, overval, brand)
d. de naam en het adres van de persoon die de alarmapparatuur heeft geïnstalleerd of zorgdraagt voor het onderhoud,
e. het sleuteladres,
f. de instantie of persoon die na het doorgeven van een alarm binnen 15 minuten bij het pand aanwezig zal zijn.
   
Artikel 27 (alarminstallateur).
   
1. Artikel 11, eerste lid, van deze regeling, is niet van toepassing indien het personen  betreft die zijn geboren vóór 1 april 1944 en op het moment van inwerkingtreding van de wet als alarminstallateur werkzaam zijn.
2. Artikel 11, eerste lid, van deze regeling, is niet van toepassing indien het personen betreft die op het moment van inwerkingtreding van de wet als alarm-installateur werkzaam zijn.
3. Het tweede lid vervalt op 1 april 2004.
   
Artikel 28 (alarmapparatuur).
   
1. Artikel 21 van deze regeling is niet van toepassing op alarmapparatuur die op het moment van inwerkingtreding van de wet is geïnstalleerd.
2. Dit artikel vervalt vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel. [1 april 2004]
   
Artikel 29 (voorkomen handelsbelemmeringen).
   
Met het in deze regeling bedoelde materiaal wordt gelijk gesteld materieel, dat rechtmatig is geproduceerd of in de handel gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig is geproduceerd in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en dat ten minste aan gelijkwaardige technische eisen voldoet.
   
Dit is een samenvatting van de belangrijkste artikelen uit de wet PBR 1997, waar in feite drie punten worden geregeld voor de alarminstallateur:

1e verklaring van betrouwbaarheid personen,

2e de vakbekwaamheidseisen alarminstallateur,

3e het gebruik van gecertificeerde alarmapparatuur .

Een overtreding van deze wet kan een boete van f 25.000,-- per overtreding.

toelichting:

Zodra een alarminstallateur gebruik gaat maken van de diensten van een Particuliere  Alarmcentrale, valt hij onder de wet PBR 1997, die op 1 april 1999 van kracht is geworden.

In het kort komt het hier op neer dat de Minister van Justitie een vergunning af geeft aan een Particuliere Alarmcentrale, waarbij aan 11 directe en 3 indirecte verplichtingen moet worden voldaan.

De elf genoemde punten in de uitvoering van de wet zijn van toepassing op de particuliere alarmcentrale en voor de alarminstallateur van minder belang, maar de drie indirecte punten gaan hem wél aan.

De particuliere alarmcentrale dient volgens artikel 10 punt 4 van de wet te controleren of de alarminstallateur die gebruik maakt van de meldkamerdiensten voldoet aan:

1e verklaring van betrouwbaarheid personen,

2e de vakbekwaamheidseisen alarminstallateur,

3e het gebruik van gecertificeerde alarmapparatuur.

Nu is artikel 11 van de regeling  een voorschrift krachtens artikel 10, eerste lid, van de wet.

Wanneer er wordt gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 10, eerste lid, van de wet kan de Minister van  Justitie voor de overtreding aan de VERGUNNING-HOUDER een bestuurlijke boete opleggen van f 25.000,--

Er zijn maar een paar kleine uitzonderingen in de wet genoemd:

1e: Personen die bij het inwerkingtreden van de wet op 1 april 1999 (nog) niet waren gediplomeerd en al werkzaam waren als alarminstallateur en als zodanig ook staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel mogen tot 1 april 2004 van de diensten van de meldkamer gebruik blijven maken.

2e: Personen die geboren zijn vóór 1 april 1944 hoeven niet meer aan de opleidingseisen te voldoen.

3e: Alarmapparatuur die vóór 1 april 1999 was geïnstalleerd hoeft tot 1 april 2004  nog niet te zijn gecertificeerd.

Alle startende ondernemers na 1 april 1999 moeten aan alle eisen voor de alarminstallateur voldoen!!

De alarmapparatuur die na 1 april 1999 is geïnstalleerd dient te zijn gecertificeerd.




Bron: Ministerie van Justitie & het VEB.